Tag Archives: kater Bolle

kater Bolle: wat ik van knuffelen vind

knuffelen

Iedere kat vindt knuffelen leuk. Maar toch niet allemaal. En niet overal. En ook niet altijd.
En dan hangt het ook nog af van WIE met je wil knuffelen.

Dus zo makkelijk en vanzelfsprekend is het allemaal niet.

Kieskeurig

Ik knuffel zelf heel graag. Maar alleen met mijn eigen mensen. En ik zeg eerlijk: ik heb het moeten leren.
Toen ik bij mijn mensen kwam wonen wist ik helemaal niet dat het kon, knuffelen. En ik ben nog steeds heel kieskeurig over wie me aan mag raken.
Vreemde mensen durf ik meestal wel een kopje te geven, en ze mogen me ook nog wel één keertje over mijn hoofd aaien. Maar daar mee is het ook wel klaar. Want ik vind het niet kom-iel-foo dat mensen die niet de mijne zijn, me te lang aaien.

Mijn mensen

Ik heb twee mensen. Een mannetjes- en een vrouwtjesmens. Ik knuffel met allebei. En ik word dubbel geaaid!
Met mijn vrouw knuffel ik meestal buiten in mijn tuin, of op bed.
Buiten heb ik een stenen terras, en als mijn vrouw daar staat en me roept, kom ik altijd meteen naar haar toe. Meestal rol ik al snel op mijn rug, zodat ze mijn pluizige buik kan aaien.
Soms pakt ze dan mijn achterpoten en doet fietsbewegingen. Zo train ik ook nog mijn buikspieren!
In de zomer zitten mijn mensen vaak in mijn tuin, en zitten we met zijn drietjes op het grasveldje. Dat vind ik altijd erg gezellig, en dan ben ik altijd in de stemming om uitgebreid geaaid te worden. Of geborsteld, dat vind ik ook fijn. Als mijn vrouw me borstelt steekt ze éen hand naar voren en die was ik dan, terwijl zij mijn haar doet. Zo zien we er alletwee weer netjes uit.

Wappie

Op bed betekent voor mij ook knuffelen.
Ik slaap, nu het wat kouder en natter is, weer binnen. In de slaapkamer op het grote bed. Als ik dat wil, kijk ik naar mijn mensen en ga bij de slaapkamerdeur staan. Dan lopen ze al met me mee.
Ik wil graag dat ze dan eventjes naast me komen liggen op bed. Eerst ga ik heen en weer lopen over het bed, daarna ga ik op mijn buik liggen, en tot slot soms nog op mijn rug.
En dan wordt ik heerlijk geaaid.
Mijn man zegt vaak: “Steek je nou je tong naar me uit?”, maar dat is omdat ik door het aaien helemaal wappie ben geworden. Zo noemen wij dat. En als ik wappie ben, valt mijn tong vanzelf een beetje naar buiten.
En als ik héél erg wappie ben ga ik wel eens kwijlen. Maar goed, dat hoeft niet iedereen te weten toch?

Eskimoos

Mijn vrouw zei toen ik hier kwam wonen dat ik maar er aan moest wennen dat ik op mijn kop gekust wordt. Ze zei dat ze zich in alles aan me aan wilde passen, maar dat kussen moet nu eenmaal.
In het begin vond ik het eng. Maar ja, in het begin vond ik alles eng. Toen beet ik en krabde.
Maar nu vind het heerlijk om gekust te worden. Precies boven op mijn hoofd.
Mijn vrouw zegt weleens dat ik toch niet voor niks zo’n grote, platte, brede kop heb gekregen. Ik weet het niet hoor, zou dat echt zo zijn?
Als mijn vrouw een kusgeluidje maakt, steek ik mijn hoofd al omhoog en houd het schuin, zodat ze er makkelijk bij kan. En ik kus haar ook terug. Dan doe ik mijn mond een beetje open, en dan wrijf ik één keer links en één keer rechts langs haar neus. Met mijn mond. Zij geeft mij een paar kussen, en dan ik haar. Soms zegt ze dan: “Hè lekker Bolle, heb je net gegeten”. Ja, inderdaad, meestal wel.
Af en toe lik ik ook haar neus. Logisch, die steekt het meeste uit.
Bij mijn man was ik zijn handen elke ochtend, als hij me voor de eerste keer aait. Dan ruikt hij tenminste weer goed. En ik geef hem neusjes, als hij met zijn neus dicht bij de mijne komt. Dan zijn we samen Eskiemoos.

Wassen

Als mijn mensen een bepaalde plek op mijn rug aaien, ga ik me wassen. Elke keer weer.
Mijn vrouw vindt dat heel leuk, dus ze aait me daar meestal een aantal keren achter elkaar.
Mijn man zegt soms dat ze dat niet moet doen.
Maar ik denk altijd ach laat haar maar, als ze dat nou zo leuk vindt.
Mensen kunnen soms vreemde dingen grappig vinden, daar ben ik al lang aan gewend.

 

knufelen

Goed knuffelen

Ik vind aaien van mijn eigen mensen altijd wel prima, maar echt goed knuffelen is meer.
Goed knuffelen is dat je heeeel lang geaaid en gemasseerd wordt, met kusjes erbij, en overal, en heel aandachtig, en dat ik ook kusjes of neusjes geef, of likjes.
Dan ga ik heel hard spinnen, en steek mijn tong uit, en ik kwijl soms (nee hoor!).
Het is dat je bij elkaar hoort, en dat je elkaar lief vindt.

Dat had ik nou nooit gedacht, toen ik nog een zwerfkat was en altijd bang was voor mensen.
Maar nu zou ik het elke poes of kater aanraden, om te knuffelen met een mens!

Kater Bolle: ik heb mensen, een huis en ook een tuin

huis tuin mensen

Ik heb tegenwoordig mensen en een huis. Maar ik heb ook nog een tuin! Ik ben dus een binnen- en een buitenkater.
In de deur die mijn mensen gebruiken om in mijn tuin te komen, zit een speciaal deurtje voor mij. Een kattenluikje heet dat, zeggen mijn mensen.

Regen

Als het regent ga ik liever niet naar buiten.
Ik heb een vreselijke hekel aan nat worden, dus ik probeer dat zoveel mogelijk te voorkomen.
Maar ja, soms ben ik buiten en dan gaat het ineens regenen. En dan word ik dus nat.
Bah, dat vind ik toch zó vies! Vooral als ik echt natte pootjes heb, jakkes.
Maar ik wil ook niet dat mijn mensen me afdrogen met een handdoek. Want dat hoort nou eenmaal niet, vind ik.
Dus al met al is het lastig als het regent, het buitenleven.

Mooi weer

Maar in de zomer, als het mooi weer is, dan ben ik heel veel in mijn tuin.
Er staan allemaal manden en dozen. En er is een klein houten huisje. Dat huisje staat naast het grafje van Molletje, en Pop en Beer. En Billy ligt er vlakbij begraven.
Ik denk in dat huisje na over het leven en de liefde, en het waarom van alles. Daar kan ik lang over peinzen, want ik ben een heel gevoelige katerman. En niet dom, ook al zeg ik het zelf.

Wapperen

Als het echt héél warm is, slaap ik zelfs buiten. Ik slaap dan in mijn huisje, of in een mand. Heerlijk vind ik dat, een beetje kamperen lijkt het wel. O, over kamperen gesproken: ik heb zelfs een eigen kattentent!
Mijn mensen vinden het niet gezellig. Maar als ik vraag of ze ook in mijn tentje willen, zeggen ze nee.

Ik heb ook nog een mooi grasveldje.
Daar ga ik liggen als de zon schijnt. Dan blijft mijn onderkant een beetje koel van het gras, en de bovenkant wordt lekker warm van de zon.

Vaak ga ik dan op mijn rug liggen, met alle vier mijn pootjes wijd. Alles lekker laten wapperen.
En even pronken met mijn gezellig ronde, pluizige, blonde buik. Ik ben trots op mijn buik, en vind dat iedereen hem mag zien!

Eten

In mijn tuin groeit allerlei lekker eten.
Tussen de tegels komen mieren naar boven. Ik ga zitten wachten, en elke keer als er eentje naar boven komt, lik ik hem op.
Er zit niet veel vlees aan, maar het zijn er wel een heleboel. Ik zie het dan ook meer als een tussendoorsnekje, een soort eenhapskrekkertjes.
Er zijn nog meer insecten in de tuin. Die eet ik ook als ik ze te pakken krijg. Maar heel soms zit er eentje tussen die niet lekker is.
Ik zag een keer een soort gestreepte vlieg, met een stekel er aan. Hij liep door het gras. Mijn vrouw zag het ook, en zei “Bolle, je gaat toch niet….” maar toen had ik hem al ingeslikt.
Het deed pijn, en ik spuugde hem weer uit. Ik heb een half uur zitten spugen, en ik ging aan het gras likken. Mijn mensen waren een beetje paniekerig, en ik kreeg natvoer voor mijn neus gezet.
Dat heb ik opgegeten, en toen deed mijn mond geen pijn meer.
Een half uur later liep er weer zo’n prikding door het gras.
Ik wilde hem weer opeten, want misschien was déze wel lekker. En ik vind het zonde om goed voedsel te verspillen. Maar mijn vrouw zette er een beker overheen zodat ik hem niet kon eten. Ze zei iets over ezels en stenen en twee keer ofzo, maar ik denk dat het erom ging dat ze die prikker zelf op wilde eten. Kinderachtig vind ik dat, want ik zag hem het eerst.
Vogels vang ik niet, want daar kan ik niet bij. Ik kan toch zeker niet zo hoog in de lucht springen?
Muizen vang ik ook niet, want die zijn veel te snel.
Ratten lukt me weleens, maar dat heb ik al een keer verteld.

Water

Water drink ik ook in de tuin. Er staan allemaal bakken, dus ik heb keuze genoeg.
Het fijnste vind ik het als het water al een tijdje heeft gestaan en helemaal ondoorzichtig groen is. Dan weet ik zeker dat het lekker is, en schoon.

Voeten

O ja, en dan heb ik ook nog mijn wc in de tuin. Tussen allemaal struiken.
Ik ga altijd op dezelfde plek, en laat het dan zo liggen. Dan weten andere katten dat het mijn tuin, mijn huis en mijn mensen zijn.
Af en toe loop ik door mijn eigen toilet heen, per ongeluk. Dat kan de beste gebeuren, vind ik. Slijt er vanzelf weer af. En dan ga ik naar binnen, op bed liggen bijvoorbeeld.
Nou, dan moet je mijn vrouw horen! Dan gaat ze met vieze doekjes mijn voeten schoonmaken.
Die doekjes die stinken naar citroen ofzo, daar worden mijn voeten pas écht vies van!
Ik verzet me dan ook altijd, want ik wil geen citroenvoeten. Maar meestal wint zij uiteindelijk.

Binnen

Al met al vind ik dat ik een mooie tuin heb. En ik vind het altijd jammer als het te koud of te nat wordt om buiten te zitten.
Maar ik loop elke dag wel even een rondje, om alles te controleren. Ik geef alles kopjes, ik krab overal eventjes, en ik ga naar mijn wc.
Dat hoort nou eenmaal zo als landeigenaar, vind ik.
En daarna kruip ik binnen lekker bij de verwarming.

kater Bolle: over bang zijn en een thuis vinden

bang zijn

Bert schreef deze week iets over bang zijn, en Loesje ook. Bang zijn begrijp ik heel goed. Het is helemaal niet fijn. Maar soms kan je het ineens zijn.

Bang

Vroeger was ik de hele tijd bang.
Voordat ik in mijn huis van nu kwam wonen, heb ik al ergens gewoond. Ik wil niet zeggen waar dat was, want ik wil er liever niet meer aan denken. Ik was daar heel bang geworden voor mensen. Want mensen slaan en schoppen, vooral manmensen. Daarom wilde ik niet meer in een huis wonen, en bleef buiten in de tuinen wonen.
Tot ik mijn grote liefde Molly zag. Bij haar durfde ik wel in huis te wonen. En als zij de mensen die er bij hoorden lief vond zou ze wel gelijk hebben, dacht ik.
Ik vond het wel eng. Super eng. Gelukkig durfde Molly zomaar alles in huis, en hielp ze mij door er gewoon te zijn.

Molletje

Tot ze een hele mooie ster werd. Toen was ik ineens alleen. Met mensen, die nu ineens alleen van mij waren.

Ik was stiekem heel blij dat ik een huis had, maar ik durfde er niet op te vertrouwen dat ik mocht blijven. En dat mijn mensen me geen pijn zouden gaan doen.
Het eerste jaar zat ik alleen op mijn krabkarton, of op bed – als mijn vrouw me daar op tilde. Verder ging ik nergens kijken in huis, want ik was bang dat ik dan straf kreeg.
Ik was zó moe van alles wat ik had meegemaakt dat ik alleen maar sliep en at.

En ik zocht mijn Molletje. Maar ik kon haar niet meer vinden. Alleen haar geur was er nog, en de herinneringen aan haar. En dat mijn mensen moesten huilen. Dat begreep ik heel goed, want ze misten haar ook.

Au

Als mijn vrouw me aaide, ging ik spinnen. En daarna beet ik, of ik krabde. Dan had mijn vrouw een bloederige kras, of een rij tandjes in haar arm.
Mijn vrouw stopte dan met aaien en zei “Au!” En wilde me eventjes niet meer aaien. Dat snapte ik heus wel, dus na een tijdje hield ik op met bijten en krabben. Want ik wilde mijn vrouw geen pijn doen, maar ik wilde wél geaaid worden.
Eén keer trok mijn vrouw haar riem uit haar broek terwijl ze me aankeek. Toen ben ik op mijn buik naar buiten gekropen, zo bang was ik. Mijn vrouw moest een beetje huilen en probeerde me weer naar binnen te lokken. Ze zei dat ze er helemaal niks mee bedoelde. Maar ik durfde pas na een half uur terug te komen.

Verleden

Als mijn man zijn jas aandeed, of een colbert, raakte ik elke keer zo in paniek dat ik laag bij de grond naar buiten rende. Ik zag dan niet meer dat het mijn man was, maar ik was dan helemaal terug in het verleden. Ik zag alleen de vorm van een manmens. Die me pijn ging doen.
Dus deed mijn man zijn jas of colbert niet meer aan in huis, maar pas op de gang.
Ook het ritselen van die jas vond ik al eng, of het ritselen van een plastic zak, of het ritselen van papier, of als mijn mensen bewogen, of als ze hoestten. Gewoon alles, eigenlijk.
Zo is het een hele tijd gegaan, ik denk in mensentijd wel een jaar.
Het was voor ons alledrie geen makkelijke tijd.

Eieren

Ik weet echt wel dat mijn vrouw het er erg moeilijk mee had. Ze vond het erg dat ik zo bang was. Soms zei mijn vrouw dat ze de hele tijd op eieren moesten lopen. Maar die heb ik nooit zien liggen.
Een keer zei mijn vrouw dat ik misschien beter ergens anders kon gaan wonen, waar ik niet bang zou zijn. Toen werd mijn man boos, en zei waar dan? Dat ik ergens anders nóg banger zou zijn, en dat ik toch zelf hier wilde wonen, en binnen bleef komen.

Ja, dat is waar. Dat bleef ik ook doen. Ik was mijn mensen aan het uittesten, of ik op ze kon rekenen.

Thuis

bang zijnNa zo’n anderhalf jaar van uitproberen durfde ik er uiteindelijk op te vertrouwen dat ik veilig was en dat ze me geen pijn zouden doen. En dat ik mocht blijven.

Soms schrik ik nog wel eens hoor, maar niet meer zo vaak.

Tegenwoordig was ik mijn man, en ga ik op mijn rug liggen zodat mijn vrouw mijn buik kan kussen en dan was ik haar haar.
Ik lig languit op bed, of opgerold in één van mijn vier mandjes, of ik ga op de krant liggen die mijn vrouw aan het lezen is.
Ik kom hard aanrennen als ze me roepen in de tuin.
Ik speel het spel met de veer, en durf daar om te vragen.
Ik maak kikkersprongen op het bed.
Ik kruip naast mijn man als hij in zijn eentje in bed ligt.
Ik ben thuis.

kater Bolle: over mijn grote liefde Molly

grote liefde

Zelf heb ik mijn hele gebit nog, voor zover ik weet. Ik hoop ook dat ik al mijn tanden houd, want ik wil geen kunstgebit. Maar ik weet dat een kat ook zonder tanden en kiezen prima kat kan zijn. Mijn grote liefde Molly had namelijk in totaal nog maar 4 of 5 tandjes en kiesjes.

Eerste keer

En toch wist ik de eerste keer dat ik haar zag meteen dat ze voor mij de vrouw van mijn leven was.

Ik woonde toen buiten, en werd samen met een grote groep katten gevoerd. In een huis wonen durfde ik niet.
Tot ik Mol zag, en wist dat ik altijd bij haar wilde zijn.
Ik ging elke nacht haar huis in. (En at haar eten op, maar dat terzijde).
In het begin werd Mol razend als ze door had dat ik er was, en sloeg ze me volkomen in elkaar. Dan moesten Molletjes mensen, die nu ook mijn mensen zijn, mij komen helpen.
Nou, toen wist ik het natuurlijk helemáál zeker! Zo’n vrouw, die zo mooi en zo stoer is, die vind je nooit meer.

Tijger

Dus ik bleef volhouden en uiteindelijk legde Mol zich er bij neer dat ik binnen kwam.  Ik mocht niks van haar: niet op bed, niet op de vensterbank, niet op de bank. En ik mocht niet door het huis rennen, want daar hield ze niet van. Dus dat deed ik allemaal niet, want ik wilde dat ze me lief vond.
Ik liep haar overal achterna en ging altijd met haar mee. Waar Mol was, was ik.
Mol was tien jaar ouder dan ik, doof, kon niet meer zo goed zien, en was een beetje in de war. Maar toch respecteerden alle katten in de buurt haar. En terecht, want als ze boos was was ze een tijger.
Een tijger zonder tanden, maar rennen en krijsen dat ze kon!

Trots

Als ze een kat uit de tuin joeg ging ik altijd snel op een tuinstoel zitten, want ik vond het een beetje eng. Na afloop ging ik dan naast haar zitten, en gaf kopjes en kusjes. Wat was ik dan trots op haar!
Ook zonder kiesjes en tandjes at Mol gewoon alles wat ze voor die tijd ook at. Als we runderhart kregen, of vers vlees, duwde ze mij bij mijn bakje weg en at eerst dat leeg en dan pas haar eigen bakje. Dat liet ik altijd toe, want ze moest goed eten om sterk te blijven.

Stel

Bijna een half jaar waren mijn Molletje en ik een stel.  Ik was zo gelukkig met haar, en zij uiteindelijk ook met mij.

grote liefde
Mol en ik

Toen werd ze nog zieker, en ging ze voor altijd slapen. Zonder mij.
Ik heb haar een jaar lang gezocht en mis haar nog steeds.

Stoer

Mol liet zien dat je ook zonder gebit stoer kunt zijn.  Dat stoerheid in jezelf zit, en niet in hoe je eruit ziet. Als je denkt dat je stoer bent, en mooi, en lief, en je zo gedraagt dan ben je dat ook.
Maar met dat stoerzijn moet ik nog oefenen, zo zonder Mol.