Tag Archives: kater Bolle

kater Bolle over: als je thuis een man hebt

kat en man

De meeste katten hier op de blog hebben een vrouw waar ze mee samenwonen. Ik gelukkig ook. Maar ik woon ook nog met een man. Een mensenman.

Vandaag leg ik uit hoe het is als je als kater niet de enige man bent in huis. En ik leg ook uit hoe ik dat doe, samenwonen met een man.

Mensenman

Toen ik hier net kwam wonen, vond ik het moeilijk dat er een mensenman was. Want ik dacht dat alle mensenmannen het zelfde zouden zijn.
Ik had er al eentje gekend. En die had me geslagen en geschopt. Daardoor woonde ik buiten, en durfde niet meer binnen te wonen. Daar heb ik al een keer over geschreven.
Daarom was ik in het begin ook bang voor mijn man. Ik bleef de eerste tijd steeds op een afstand van hem.
Maar hij was dan weer een beetje bang voor mij, omdat ik beet en krabde.
Grappig hè, zo kunnen twee jongens bang zijn van elkaar!

Geduldig

Het heeft best lang geduurd, voordat ik aan mijn man gewend was. Gelukkig was mijn man geduldig. En hij werd nooit boos op me, als ik bang was van hem.
Hij wist ook wel dat het met mijn er-va-rin-gen van vroeger te maken had.

Een man is geen vrouw

Ik weet nu dat er dingen zijn die een man anders doet. Want een man is geen vrouw.
Mijn man praat bijvoorbeeld met een lage stem.
Mijn vrouw kan praten als een beebiekatje, en ik praat dan ook zo tegen haar. Mijn man kan dat niet. Maar hij en ik praten samen als mannen onder elkaar.
thuis een manVaak maken mannen veel lawaai, en stampen ze en praten ze heel hard. Dat vind ik eng.
Mijn man praat en beweegt heel rustig. Mijn vrouw is juist drukker, en ook lawaaieriger.
Ik lig ’s ochtends vaak naast mijn man in bed, als mijn vrouw al is opgestaan. Ik spring op bed en kruip tegen hem aan. Een beetje hoor, helemaal tegen hem aanliggen durf ik nog niet. En zo slapen we samen nog even. Heerlijk vind ik dat, ik kijk er altijd naar uit.
Sinds kort kruip ik ’s avonds ook bij mijn vrouw, als mijn man nog niet in bed ligt. Maar zij beweegt veel als ze slaapt, en daar schrik ik van.
Mijn vrouw kan beter met mij spelen. Ze maakt het altijd heel spannend, met allerlei geluiden en ze verzint steeds nieuwe spelletjes met de veer.
Mijn man is strenger met eten. Als ik mijn eten niet lekker vind ga ik naar mijn vrouw. Ik kijk haar aan, en hou mijn hoofd scheef. Soms doe ik ook nog een “Priep?” En altijd krijg ik dan iets wat wél lust. Maar mijn man zegt gewoon tegen me dat er nog eten staat. Van hem krijg ik niks anders, erg hè!
Als ik lang in mijn tuin ben, komt mijn man altijd kijken wat ik aan het doen ben. En als er gekrijs is, komt hij meteen naar buiten. Om mij te helpen. Dat vind ik fijn, dan voel ik me veilig.
Mijn vrouw doet van alles met planten en bloemen in mijn tuin, en daar kom ik bij zitten. Dat is gezellig, om samen aan mijn tuin te werken.
Mijn konkluusie is dat ze allebei verschillend zijn, maar allebei lief.

Twee smaken

Daarom vind ik het nu juist leuk dat ik twee smaken mens heb.
De ene keer ga ik naar mijn vrouw voor een gesprekje. En de andere keer klim ik naast mijn man in bed. Zo kan ik altijd kiezen!

Vertrouwen

Ik denk eigenlijk dat het niet eens uitmaakt of je een vrouw hebt, of een man. Als iemand lief is, is iemand lief. Ook als het een man is. Ik weet toevallig van een kat die bij twee mannen woont, en het daar heel fijn heeft.
Het belangrijkste is dat je de mens waarmee je woont kunt vertrouwen. Dat die mens zorgt dat je gelukkig bent, en gezond en veilig. Dat die mens je genoeg te eten geeft, en dat er met je geknuffeld wordt als je dat wilt. En precies zo is dat bij ons in huis! Mijn mensen zorgen voor mij, en ik heb twee mensen om voor te zorgen.

De baas

Bij ons thuis is niemand de baas over de ander. We zijn met ons drietjes de baas.
Of eigenlijk ben ik nét een beetje meer de baas, maar zo hoort dat nou eenmaal.
Omdat ik van ons drietjes de enige kat ben.
En katten zijn natuurlijk altijd het allerbelangrijkste, of ze nou man of vrouw zijn!

kater Bolle over: naar de dierendokter gaan

dierendokterVorige week hoorde ik mijn mensen praten over “naar de dierendokter gaan”. Dat vond ik vreemd, want ik dacht dat de dierendokter alleen voor dieren was. Maar toen begreep ik ineens dat het de bedoeling was dat ik meeging.

Je snapt waarschijnlijk wel dat ik daar helemaal geen zin in had. Ik voel me prima, dus ik hoef helemaal niet naar de dokter. Dat vertelde ik natuurlijk aan mijn mensen.
Mijn vrouw zei toen dat we wel zouden zien hoe het zou gaan.

Geen eten

Woensdagochtend stond er geen eten voor mij. Mijn pleesmat was helemaal leeg.
Dat verbaasde me, maar ik dacht dat mijn mensen zich misschien hadden vergist.
Ik ging maar weer slapen, ook al had ik best een beetje honger.
Toen mijn man opstond, ging ik hem kopjes geven en alvast spinnen. Omdat hij me mijn eten zou geven. Maar mijn man aaide me, en dat was het.
Mijn vrouw lag nog in bed, maar ze was wakker. Dat kon ik merken. Daarom liep ik de slaapkamer is. Ik was al aan het spinnen, omdat ik zeker wist dat zij me eten zou geven.
Maar mijn vrouw keek me aan en aaide me. Ze zei dat ik een lieverd was. Dat was alles.

Priep

Vergissen is menselijk, zeggen ze. Dus ik bleef rustig en beleefd.
Ik heb één keer Priep gezegd, maar niet hard. En ik heb aan mijn krabplankje aan de deur gekrabd, terwijl ik naar mijn man keek. Zonder resultaat.
Na een tijd liep mijn vrouw met mij mijn tuin in. Ze aaide me, en ging weer naar binnen. Ik liep even door mijn tuin, maar het regende een beetje.
Daarom rende ik KEIhard weer naar binnen, blij dat ik eindelijk mijn eten zou krijgen.

In de tas

Meteen toen ik binnen kwam had ik door dat er iets aan de hand was. Mijn reistas stond klaar, waarschijnlijk voor als mijn mensen naar de dierendokter wilden gaan. Ik wist op dat moment wel duizend prosent zeker dat ik niet meeging, dus ik liep terug naar de achterdeur. Maar mijn vrouw tilde me op, en liep met me naar die tas.
Ik heb gefriemeld zoveel als ik kon, ik hield me overal aan vast en ik sloeg zelfs een nagel in het been van mijn vrouw.
En toch zat ik ineens in die tas.

Bang

Ik was bang. Want ik wilde niet naar de dierendokter. Ik dacht: Straks krijg ik daar weer een prik of een pil. En daar heb ik dus echt geen zin in. Of straks laten mijn mensen mij ergens achter, in die tas. En dan heb ik geen huis en geen mensen meer.  Ik trilde over mijn hele lijf, kleine rillinkjes. En ik deed af en toe piepen.
Mijn vrouw aaide me, in mijn tas. En ze zei dat alles goed was. Maar dat was natuurlijk helemaal niet waar. Want ik zat in die tas.

Uit de tas

Bij de dierendokter moest ik uit de tas komen. Van schrik liet ik allemaal haren los. Volgens mij heb ik wel een biljoen haren losgelaten.  De dokter was aardig, en ik ken hem al. Hij aaide me en zei dat ik er heel goed uitzag. Er was nog niks engs gebeurd. Ik ontspande een beetje.
Maar ja hoor, toen kwam de naald er weer aan.
Er werd een stukje haar onder mijn kin weggehaald, en toen werd mijn bloed gepikt. Daarna kreeg ik nog een prik. En ook nog een pil. Toen was ik er klaar mee, en wilde in mijn tas.
Ik wilde zó graag in mijn tas dat ik probeerde door het gaas heen naar binnen te klimmen.
De dierendokter zei dat ik later beter maar geen eksakte vakken kon gaan studeren omdat ik geen ruimtelijk inzicht had. Mijn mensen moesten lachen. Ik werd gewoon een beetje belachelijk gemaakt!
De dokter zei dat ik nog steeds te dik was, en mijn vrouw zei dat ze strenger zou gaan worden met mijn eten. Nóg strenger? Ik had al uren niks gegeten!

De uitslach

We moesten nog even wachten, waarom weet ik niet. Mijn vrouw zei vanwege de uitslach.
Ik was doodmoe, en mijn mensen ook. Mijn man zei dat hij bijna niet geslapen had, en mijn vrouw zei hetzelfde. Vanwege mij, zeiden ze. Mijn man zei dat hij ze-nuw-ach-tig was. Voor die uitslach.
Na een tijdje kwam de dokter. Hij zei dat hij kwam met het bloed van een jonge godenzoon. Alles was helemaal goed, nog beter dan de vorige keer. Alleen dat gewicht, dat moest wat minder.
Mijn mensen waren helemaal blij. Terwijl ik me afvroeg waar ze die godenzoon dan van kenden. Maar gelukkig konden we toen eindelijk weer naar huis.

Voel me prima

Ik heb geen flauw idee wat we nou precies bij de dierendokter hebben gedaan. Of wie die jonge godenzoon dan wel was, wat ik daar mee te maken had, en wat ik daar nou precies te zoeken had. Waarschijnlijk hebben de dierendokter en mijn mensen uiteindelijk tóch begrepen dat ik me prima voel.

Dat had ik ze zó wel kunnen vertellen, als ze me dat hadden gevraagd. Sterker nog: dat heb ik verteld. Maar ja, zo zijn mensen: ze luisteren niet.

Miljoenprosent zeker weten

Ik heb het hele huis en mijn hele tuin doorgelopen toen we weer thuis kwamen. Om te kijken of alles nog hetzelfde was. Gelukkig was dat zo. Ik heb mijn buikje rond gegeten en ben op het grote bed gaan slapen.
Maar ik heb me wel voorgenomen dat ik volgende keer echt helemaal-totaal-absoluut-volkomen-miljoenprosent-zeker-weten niet meega naar de dierendokter!!!

kater Bolle over: hiegjeene en jezelf wassen

hygieneDeze week schreef Bert over zijn vacht. Dat die zo mooi is door goed eten en slapen en knuffelen. En doordat hij zich wast.

Toen dacht ik: dat eten en slapen en knuffelen, dat doe ik ook allemaal. Maar dat wassen, dat hoeft voor mij niet zo.

Schoon

Ik was me wel natuurlijk. Ik ben tenslotte een kat. Dus ik doe aan hiegjeene. Ik was me alleen niet overdreven veel. Ik was mijn buik heel goed, en af en toe mijn poten. Meer niet.
Waarom zou ik mijn hoofd wassen, of mijn rug, of mijn staart, als ik daar nooit vies ben? Dat vind ik helemaal niet nodig. En ik voel me nou eenmaal prettiger als mijn haar een beetje nonsjalant zit.
Maar weet je hoe mijn vrouw me altijd noemt?  Een vies-peuk. Ja, echt waar! Erg hè, want dat ben ik zeker weten niet. Mijn buikhaar is altijd mooi roze-oranje en pluizig en schoon.

In mijn haren

Een paar dagen geleden lag ik op het grote bed, op mijn roze handdoek. Toen ik later opstond lag er best wat aarde op mijn handdoek. En een takje. En ook nog een paar blaadjes. De handdoek was een beetje grijzig geworden van mij.
Dus ja hoor, daar begon mijn vrouw weer. Altijd hetzelfde.
Dan zegt ze: “Zo, heb je je tuin weer mee naar binnen genomen?” of: “Was je van plan een moestuintje te beginnen op bed?” of: “Het is niet verboden om je te wassen hoor, Bol”.
Maar ik doe me toch altijd wassen?!
Ik kan er ook niks aan doen dat er van alles in mijn haren blijft hangen!
Ik kan me niet voorstellen dat mijn vrouw van mij verwacht dat ik dat er allemaal uithaal. Met mijn tong nog wel.
Dat vind ik nou vies.

Kuil in de aarde

Nu het lekker weer is, lig ik best vaak buiten. Ik heb in mijn tuin vier manden alleen voor mij, een tent en een kartonnen doos. Maar ik vind het eigenlijk het prettigst om een kuil in de aarde te maken. Niet een hele diepe kuil hoor! Ik graaf gewoon een beetje, en op die plek ga ik goed op mijn rug rollen. En zo wordt die kuil precies op maat voor mij.
Als ik daarna naar binnen kom, ja, dan komt er natuurlijk wat van die aarde mee.
Of er zitten takjes en blaadjes in mijn vacht. Lekker laten zitten, denk ik altijd. Niemand heeft daar last van.

Popje

Mijn mensen zeggen weleens dat ik dat waarschijnlijk van Popje heb ge-erfd. Die waste zich ook bijna nooit. En al helemaal niet zijn pootjes.
Pop lag ooit op het grote bed te knuffelen met mijn vrouw. Ineens tilde hij een achterpootje op, en keek tussen zijn tenen. Daarna zette hij dat pootje snel weer neer, met een vies gezichtje.
Mijn vrouw keek wat er aan de hand was en zag een klein slakje zitten. Ze haalde het tussen Popjes tenen uit het en liet het aan hem zien. Pop deinsde achteruit en keek mijn vrouw aan alsof ze het slakje tussen haar eigen tenen vandaan had gehaald.
Zo zie je maar, het is net hoe je het bekijkt.
Popje vond mijn vrouw juist een vies-peuk. Omdat ze dat slakje vastpakte. Ik snap hem wel.

Voeten

In de zomer, als het droog was, had Pop pikzwarte voetkussentjes. Terwijl ze eigenlijk roze waren. En hij had witte sokken, maar die werden helemaal grijs. Van het stof, en de aarde.
Gelukkig heb ik donkere kussentjes, zodat niemand kan zien of ik mijn voeten was, ja of nee.
Nee natuurlijk, maar niet verder vertellen hoor!

Hiegjeene

Kijk, hiegjeene is belangrijk. Maar het moet niet te gek worden.  Ik ben een buitenkat, met een dikke vacht. Ik heb vier brede poten en een breed hoofd.En ook nog een een buik, een rug en een staart. Ik kan er niet aan beginnen om dat allemaal te wassen.
Ik ben nou eenmaal het buitenleven gewend, van vroeger. Daar kijk je niet zo nauw.

Ik denk dat ik dus maar een grijze handdoek ga vragen voor op het grote bed. Dan ben ik misschien van dat gedoe af over een beetje aarde. Of zand. Of takjes.
Het meeste is trouwens allang van me afgevallen als ik op bed ga liggen. Dat ligt allemaal op de keukentegels en de vloerbedekking. Of op de vensterbank en het buro en de vloerbedekking, als ik via het raam naar binnen kom.
Dus ik zie het probleem niet zo.
Want dan ben ik toch al best schoon, als ik op mijn handdoek ga liggen?

kater Bolle over: wat leeftijd is

leeftijd
Billy en ik

Net als alle andere katten, overal ter wereld, heb ik een leeftijd. Omdat ik een zwerfkat ben geweest, weten mijn mensen niet precies hoe oud ik ben. De dierendokter denkt dat ik een jaar of twaalf ben.
Dat zou kunnen, maar het zou ook niet kunnen, denk ik dan.

Kattengeheim

Ik weet zelf natuurlijk heel goed hoe oud ik ben.  Maar dat zeg ik lekker niet!  En weet je waarom niet? Omdat het me niet interesseert.
Wat maakt het uit of ik tien ben, of twaalf. Misschien ben ik wel dertien, of negen.  Hoe oud ik ook ben, ik ben altijd gewoon mezelf.
Die twaalf jaar is iets wat mensen verzonnen hebben.  Wij katten rekenen heel anders.
Dat is voor mensen veels te moeilijk om te begrijpen, hoe wij zelf rekenen. Dus dat leg ik maar niet uit. Bovendien is het een kattengeheim.

Genieten

Kijk, ik wil wel toegeven dat ik geen kitten meer ben.  Dat kun je natuurlijk ook aan me zien, dus ik kan moeilijk doen alsof. Ik zou trouwens ook geen kitten meer willen zijn. Al dat geren en gespring en gespeel – veel te veel werk! Ik word al moe als ik er alleen maar aan denk.
Maar ik ben ook nog niet heel erg oud, zoals mijn Molletje was.  Zo oud, dat je in de war bent in je hoofd, en dat je niet meer goed kan horen en zien, en dat je steeds meediesijnen moet krijgen.
Ik zit dus tussen kitten en heel oud in. Kort gezegd: ik heb mijn eigen leeftijd. En ik ben van plan van die leeftijd te genieten.  Want je weet nooit precies hoe lang je leeftijd duurt.  Je leeftijd kan zomaar ineens afgelopen zijn.

Molletje

Ik weet dat het zo kan gaan. Dat je ineens geen leeftijd meer hebt. Ik heb het meegemaakt met mijn Molletje. Eerst was ze heel oud en ziekjes, maar had ze nog een leeftijd. En toen was die leeftijd zomaar voorbij.
Ik heb daar heel veel verdriet om gehad, en heb haar een jaar lang nog gezocht.  Want ik snapte het niet, dat ze geen leeftijd meer had. Nu weet ik dat het zo gaat. Maar ik ben het er niet mee eens!

Billy

Ik heb het nog een keer meegemaakt met een kat die bij ons in de tuin woonde.  Op een dag, vorige lente, was hij plotseling in mijn tuin. En hij ging niet meer weg.  Hij had heel erg honger, en zijn haren waren in de war en piekerig.
Mijn mensen hebben geprobeerd uit te vinden waar hij woonde. Maar niemand kende hem. Hij was, net als ik vroeger, een zwerfkat.  Hij was groot en sterk en zwart met wit. Mijn mensen noemden hem Billy.
Hij was heel erg stoer, maar ook heel lief. Voor mij, en ook voor mijn mensen. Billy liet mij altijd weten dat hij wist dat het mijn tuin was, en dat hij op bezoek was. Als mijn vrouw met ons speelde, liet hij mij vóór gaan, en wachtte altijd netjes op zijn beurt. Als ik ergens van schrok, kwam hij snel naar me toen en gaf me een neusje. Om te laten weten dat alles goed was.
Hij wilde niet echt veel geaaid worden maar was altijd graag bij mijn mensen, en bij mij.
Hij sliep in de tuin, in een mand onder een afdakje, en kwam heel af en toe binnen.
Dat vond hij erg spannend. Ik ook!

Ambulans

Ik weet heus wel dat mijn mensen graag wilden dat Billy bij ons zou komen wonen. En we waren het aan het op-bou-wen. Zo heet dat, als je iets heel langzaam probeert. Het ging allemaal goed.
Maar op een dag hoorde mijn man een geluid uit de tuin komen. Hij dacht eerst dat het een hond was, maar het was Billy.
Hij huilde van de pijn, en kon zijn achterlijf niet meer bewegen. Mijn man heeft hem naar binnen gehaald, en de dierenambulans gebeld. Billy had erg veel pijn, en was superbang. Ik was bij hem, want ik was ook bang. En mijn man ook. We waren alle drie bang dat Billy geen leeftijd meer zou hebben.

Hartjes

De mensen van de ambulans zeiden dat Billy een em-bo-lie had. Ze hebben van alles geprobeerd, maar de volgende dag was de leeftijd van Billy op.
Nu ligt hij hier in de tuin begraven. Mijn man heeft een kuil gegraven, en daar ligt Billy. In een kleed met hartjes er op, en met de veren waar hij zo graag mee speelde.
Mijn mensen moesten huilen, en ik ook.
Ik snapte het niet goed, en mijn mensen ook niet.  ’s Ochtends had mijn vrouw nog met Billy gespeeld, en ’s middags werd hij zo ziek.Hoe kan het, dat zomaar ineens je leeftijd op is?

Nadenken

Ik heb die middag op het graf van Billy gelegen, en nagedacht. Ik denk dat het zó zit: je weet nooit precies wanneer je leeftijd over is. Dus is het het beste om daar maar niet over te piekeren. Morgen kan alles anders zijn.
Dus is het belangrijk dat je vandaag doet wat je graag wilt. Dat je je mensen, of je broers en zusjes, een knuffel geeft. Of dat je met je veren speelt. Of dat je superlekkerlang slaapt. Of dat je geaaid wordt door je mensen. Of dat je in het zonnetje ligt, en helemaal warm wordt. Of dat je heerlijk smult van je eten. Dat je leeft!
Dat heb ik allemaal bedacht toen ik op het grafje van Billy lag. Dat grafje ligt vlakbij het graf van Pop, Beer en mijn Molletje.
Allemaal hadden ze een leeftijd. Maar die leeftijd ging voorbij.
Ik begrijp nog steeds niet waarom, en ik ben het er nog steeds he-le-maal niet mee eens!
Maar ik weet nu dat het zo is.

Snap je nu waarom ik mijn leeftijd niet wil vertellen?
Dat komt omdat ik het niet precies weet.
Mijn leeftijd is nu.

kater Bolle over: sjips van mensen en mezelf

kater Bolle

Soms eten mijn mensen ’s avonds sjips, uit een bakje. Ik vind dat heel lekker ruiken en probeer altijd aan die sjips te likken.  Maar dat mag ik niet, want het is niet goed voor me. Zeggen mijn mensen.
Volgens mij zijn sjips voor niemand echt goed. Maar wel lekker!

Eigen sjip

Mijn vrouw zegt altijd dat ik mijn eigen sjip heb, dus dat ik niet de hare hoef te pikken.
Mijn sjip zit onder mijn huid, bij mijn schouder. Je kunt hem niet eten, en ik heb hem altijd bij me.
Het is een klein dingetje waar een nummer opstaat. Dierendokters, of mensen van de dierenambulans, hebben een apparaat waarmee ze die sjip kunnen bekijken. Zo zien ze welk nummer er op staat. En bij dat nummer staan mijn adres en mijn telefoonnummer.
Dat is hetzelfde als van mijn mensen. Vind je dat niet toevallig?

Bandje

Kijk, ik weet natuurlijk zelf heel goed wie ik ben en waar ik woon.  Maar mijn mensen hebben me uitgelegd dat ik een sjip heb voor als ik verdwaald raak, en niet meer weet hoe ik naar huis kan lopen. Of als ik misschien gewond ben.
O, ik hoop maar zó dat dat nooit gebeurt!

Ik zou natuurlijk ook een bandje om kunnen, met mijn adres enzo er op. Net als Pop, Beer en mijn Molletje. Zij hadden een bandje om. Met daaraan een plestik penning met hun naam en telefoonnummer.  Je kon die penning makkelijk lezen, ook als je niet heel dichtbij ze was.
Want Pop, Beer en Mol lieten zich niet zomaar aaien door vreemde mensen. Dus was het belangrijk dat je hun telefoonnummer kon lezen, ook als ze op een afstandje waren.

De geps

Maar niet elke kat een vindt bandje prettig.
Pop heeft een hele hoop bandjes kwijt gemaakt. Dan had hij net een nieuw bandje om en ging naar buiten. Even later kwam hij heel trots terug om te laten zien dat zijn bandje weg was.
Je kunt blijven haken aan je bandje, dat kan best gevaarlijk zijn. Dat je bandje blijft haken achter een tak ofzo. Dan zit je vast aan die tak. In een boom misschien wel.
Dus daarom zit er een soort geps (een gesp, volgens mijn vrouw) aan dat bandje. En die gaat makkelijk open, zodat je bandje opengaat. Dat had Pop dus ontdekt, van die geps.

Geen nek

Toen ik hier kwam wonen hadden mijn mensen het erover of ik ook een bandje moest.  Maar ze durfden het nog niet te doen. Omdat ik best hard kon bijten en krabben.
Na een tijdje zei mijn man dat ik geeneens een bandje om kon. Omdat ik geen nek heb.
Ik wist helemaal niet dat je een nek nodig hebt! Er zit wel een heel klein stukje tussen mijn hoofd en mijn schouders, maar dat is breder dan mijn hoofd.
Ik heb het altijd zonder nek gedaan, en dat bevalt me prima.
Maar gelukkig hoefde ik daarom geen bandje.

Verplicht

kater BolleMijn vrouw vertelde me dat elke hond een sjip moet hebben, maar katten nog niet.
Terwijl het juist goed zou zijn als het ver-plicht wordt. Dat betekent dat het MOET.
Ze zei dat mensen dan misschien ook wat beter gaan nadenken voordat ze een kat in huis nemen.
Je gelooft het niet, maar soms kiezen mensen voor een kat, en hebben er na een tijdje ineens geen zin meer in. Dan zetten ze die kat zomaar op straat.
Of ze verhuizen, en laten de kat achter. Dat mag toch niet!
Als elke kat een sjip heeft, zou altijd bekend zijn waar en bij wie die kat ooit woonde. Waarschijnlijk wil die kat dan een ander huis, denk ik. Maar dat kan ook, natuurlijk. Want het adres op de sjip kan ook veranderd worden.
Als een kat verdwaald is, en wel weer naar huis wil, kan de kat terug naar huis omdat op de sjip staat waar dat was. Zo zouden er na een tijd minder zwerfkatten komen.

Beebies

Met die sjip zou de kat ook ver-plicht geholpen moeten worden. Je weet wel, dat is van dat kindertjes krijgen enzo.
Want sommige mensen laten een dameskat steeds maar beebies krijgen , en die verkopen ze dan aan wie ze maar wil hebben. Of ze doen ze doodmaken. Echt waar. Dat is natuurlijk heel erg zielig. Voor de mama en voor de kindertjes.
En er zijn ook al heel veel kindertjes. Zoveel, dat het asiel er in de lente altijd vol mee zit.
Mensen willen vaak persee een kitten, omdat ze dat leuk vinden. Dat is ook zo.

Ouder

Kinderkatjes zijn superleuk, zeker weten. Maar ze worden vanzelf ouder. En dan?  Nou, dat zal ik je vertellen: dan worden ze elk jaar NOG leuker en mooier en slimmer!
Kijk maar naar mij. En naar Bert. En naar Loesje. En naar Katrientje. En naar Jip. En naar Vlo.
En ga zo maar door. Dus dat lijkt me wel duidelijk.

Mijn mensen weten inmiddels dat ik nooit echt heel ver weg ga.  Ik ben geen avonturier meer, dat was ik al lang genoeg toen ik rondzwierf. Meestal blijf ik in mijn eigen tuin, of ik ga even het schuurtje op. Ik luister als ik geroepen word, en kom meteen aanlopen.
En toch heb ik een sjip. Voor als het ooit nodig is.
Maar die andere, lekkere sjips krijg ik nog steeds niet. Jammer. Maar ik blijf proberen om er aan te likken!