Tag Archives: kater Bolle

kater Bolle over: als je een doos hebt

kat in doosAlle katten houden van dozen. Tenminste, dat zeggen mensen vaak. Ik was juist altijd bang van dozen.

Wie gaat er nou in een doos springen, zonder dat je weet wat er in zit? Ik niet! Er kan ook best iets engs in een doos zitten, dat er plotseling uitspringt. En stel dat je in een doos zou zitten, dan kan je niet zien wat er om je heen gebeurt. Dat is natuurlijk supergevaarlijk.
Ik vond dozen dus helemaal niks. Als mijn mensen er eentje neerzetten, liep ik er altijd met een grote boog omheen.

Veilige plek

Mijn mensen vond dat helemaal niet erg. Want voor hun hoorden dozen bij de Grote Beer. En bij niemand anders.
Beer moest heel plotseling bij mijn mensen intrekken. Dat was toen het restoorant waar hij woonde dicht ging. Hij was al vaak bij mijn mensen en Popje geweest. Hij liep dan gewoon door de tuinen, en ging door het kleine kattendeurtje. Dus hij was al een beetje gewend.
Maar nu was ineens zijn restoorant er niet meer.
Daarvan raakte hij in de war. Hij vond het moeilijk, en voelde zich in de steek gelaten.
Beer werd zelfs een beetje ziekjes. Hij wilde meer niet eten en hij kreeg ontstoken ogen.
Allemaal van verdriet, omdat zijn oude mensen en zijn oude huis zomaar weg waren.
Logies, natuurlijk. Dat snapten mijn mensen heel goed.
Hij had plotseling geen veilige plek meer en niets dat van hem alleen was. En Beer wilde bij mijn mensen persee geen mandje of deken of kussentje om op te liggen.

Dozenman

Toen bedacht mijn vrouw dat Beer een kartonnen doos vast heel fijn zou vinden. En ze heeft een mooie doos gehaald bij een winkel. Die zette ze eerst eventjes op de eettafel. Maar voordat ze het wist zat Beer er al in!

kat in doos
Beer

Vanaf dat moment was Beer een dozenman, zegt mijn vrouw.
Hij had in zijn doos een stapel fliesdekens, dan kon hij lekker zacht en warm liggen.
Zijn doos moest altijd op de eettafel staan. Zo wilde Beer dat. Alleen als mijn mensen aten, ging de doos even naar een andere plek. Mijn mensen droegen Beer daar met doos en al naar toe. Het leek dan net alsof hij vloog!
Mijn vrouw heeft Beer in zijn nieuwe doos elke dag met een lepeltje gevoerd. En ze gaf hem steeds brokjes, één voor één. Die hij gelukkig opat. Ook maakten mijn mensen elke dag zijn ogen schoon.
Langzaamaan werd hij toen weer beter.

Dozenhoofd

Toen Beer ouder werd vond hij het goed dat zijn doos naar het grote bed werd verhuisd.
Want het lukte hem niet meer om op de eettafel te springen, en hij wilde geen hulp van een krukje of een stoel.
Beer sliep ook in zijn doos. Op het grote bed, tussen mijn mensen in. Vaak kreeg hij ook nog een doos in de tuin, of in de woonkamer. Daar klom hij dan meteen in. Hij had in een doos altijd een heel seerieus gezicht. Mijn mensen noemden dat zijn dozenhoofd. En ze zeiden dat hij in zijn vliegtuig zat, als piloot.
Beer heeft alle jaren dat hij bij mijn mensen woonde zijn eigen doos gehad. Voor hem was zijn doos een veilige plek. Mijn vrouw maakte de dozen altijd mooi, en plakte er van alles op. Toen Beer een prachtige ster werd, hebben mijn mensen hem in zijn doos begraven in de tuin. Zodat hij makkelijk naar de hemel kon vliegen.

In mijn tuin

Daarom vonden mijn mensen het dus niet erg, dat ik niet van dozen hield. Maar toen kwam de dag dat mijn vrouw een keer een doos in mijn tuin zette, waar ze dingen in wilde doen. En raad eens? Ik klom er meteen in! En ik wilde er niet meer uit. Eindelijk snapte ik wat je als kat leuk kunt vinden aan een doos. Nu heb ik dus met mooi weer een eigen doos in mijn tuin.
Niet in huis, want dat wil ik niet. Een doos in huis hoort niet, vind ik.
Net als voor Beer, haalt mijn vrouw er een stuk karton af zodat ik makkelijk in kan stappen.
En ze weet, door haar ervaring met Beer, precies wat voor maat doos een kat fijn vindt.
Ik gebruik mijn doos in de tuin net zo lang tot hij helemaal kapot is. Want hij regent natuurlijk nat, en dan droogt hij soms heel raar op. Of hij wordt vies, maar dat vind ik niet erg. Soms is alleen nog de onderkant over, maar dat vind ik ook prima. Hoe langer ik met mijn doos doe, hoe meer het echt MIJN doos wordt.

Van Beer geleerd

Vorige week scheen het zonnetje en kreeg ik een nieuwe doos. Ik ging er in zitten, en toen begon mijn man te lachen. Hij riep mijn vrouw, en zij moest ook lachen. Ze hebben meteen een footoo van me gemaakt. Ik werd er een beetje knorrig van.
Waarom ze nou zo moesten lachen weet ik niet.
Nou ja, laat maar lachen, denk ik dan. Wat kan mij het tenslotte schelen. Een echte katerman trekt zich nergens iets van aan als hij in zijn doos zit. Dat heb ik van Beer geleerd.

kater Bolle over: als je gelukkig bent

gelukkigSoms kun je denken dat iets nooit meer goed gaat komen. Dat je altijd bang zult zijn, en het altijd koud zult hebben. Dat je je  hele leven buiten moet wonen, en voor je eten moet vechten. Dat je je hele leven alleen gaat blijven.
Zo voelde ik me vroeger.

En mensen kunnen denken dat ze altijd verdrietig blijven, omdat ze drie katten missen die een ster zijn geworden. En dat ze nooit meer zoveel van een kat gaan houden. En dat ze dus ook alleen zijn, zonder kat. Dat hadden mijn mensen. En dan kom je elkaar tegen.
Gelukkig maar.

In mijn tuin

Een paar dagen geleden was het lekker warm buiten, met een zonnetje. ’s Ochtends ging mijn vrouw buiten, in mijn tuin, thee  drinken en de krant lezen.
Dat vond ik biesonder. Meestal doet ze dat binnen, aan het buro. Ik lig naast haar, en lees samen met haar de krant. Ik weet  inmiddels al alles af van de breksit (zo heet dat toch?).
Ik ruik elke ochtend aan haar thee, en ik vind het elke ochtend niet lekker. Mijn vrouw zegt altijd “Nog hetzelfde als gisteren?”  Ja inderdaad. Maar het kan natuurlijk dat het op een ochtend iets is wat ik wel lekker vind. En dan kan ik er snel wat van oplikken, voordat ze het weghaalt.

In mijn tent

In mijn tuin heb ik bij mijn vrouw gelegen, naast haar voeten. Ik kon niet de krant lezen, maar dat gaf niet. Dat doe ik morgen  dan wel weer. Mijn vrouw heeft me lang op mijn buik geaaid, heerlijk was dat. Na een tijdje werd het me een beetje te warm, dus  toen ben ik in mijn tent gaan liggen.
Ik heb nu in mijn tuin vijf manden, een tent, en twee kartonnen dozen. Eigenlijk best veel, voor mij alleen. Mijn man vindt die  manden op straat, en neemt ze voor me mee. Ze zijn soms een beetje kapot, maar dat geeft niks.

In het gras

’s Middags heeft mijn vrouw van alles gedaan in mijn tuin. Ze werkte aan de planten en de bloemen, dat alles er mooi uitziet. Ik ben er blij mee dat ze dat doet, want ik heb er zelf geen tijd voor. Ik heb er bij gezeten, om te kijken of ze alles wel goed  deed. Af en toe hield ze iets voor mijn neus zodat ik er aan kon ruiken, en dan deed ik dat. Allemaal vreemde luchtjes waren het, van dingen die normaal onder de grond zitten. Spannend hoor, maar niet eng!
Nog wat later kwam mijn man ook buiten in mijn tuin zitten. Hij heeft me gekamd, en ik heb in de tijd dat hij me kamde zijn hand  gewassen. Voor wat hoort wat, tenslotte.
Ik heb op mijn rug in het gras gelegen, met mijn benen wijd. Dat is zo fijn, om het zonnetje te voelen op mijn buik. En ik ben veilig, want mijn mensen zitten naast me.

Op het grote bed

De buurhond deed blaffen, maar dat maakte me niet uit. Want als mijn mensen er zijn, ben ik niet bang. Toen het zonnetje weg was, zijn we naar binnen gegaan en heb ik superlekker gegeten. Daarna heeft mijn vrouw me op het grote bed getild, en hebben we geknuffeld. Mijn man kwam er ook nog bij, en dus hebben we ook nog met zijn drietjes geknuffeld.
Ik heb de hele avond geslapen, want ik was moe. Van het zonnetje, van het knuffelen en van het genieten.
Ik vond het een geweldige dag, zeker weten.
Van mij mag elke dag wel zo zijn.

Op het pad

Ik dacht dat ik nooit meer zou kunnen wennen aan wonen bij mensen. Nu vind ik het juist fijn. En mijn mensen dachten dat ze nooit meer zoveel van een kat zouden kunnen houden als van Pop, Beer en mijn Molletje. Maar nu houden ze heel veel van mij. Anders dan van Pop, Beer en Mol, maar ook superveel.

Mijn mensen zeggen vaak dat ze blij zijn dat ik op hun pad ben verschenen. Zo noemen mensen dat, denk ik, als je elkaar tegen komt. En ik ben blij dat ik op het pad ben verschenen van mijn mensen, en van mijn Molletje. Zo lopen we nu hetzelfde pad, met zijn drietjes.
Dat is veilig, dan hoeven we nooit meer bang te zijn.

kater Bolle over: in je eentje spelen

in je eentje spelen
Mol ligt natuurlijk in de mooiste stoel

Ik ben een ernstige kater.  Buiten dat ik ernstig ben, ben ik ook nog verlegen en onzeker.
Daarom lig ik graag te slapen op het grote bed, of in mijn tuin. Lekker veilig. En ik denk na. De hele tijd. Over van alles.

Waarom is er leven, waarom houdt het soms ineens op en waarom zijn er honden op aarde?
Allemaal vragen waar ik geen antwoord op weet. Vandaar dus dat ik er over nadenk.
Het kan natuurlijk best zo zijn dat ik op een dag de oplossing vind. Maar tot die dag heb ik geen tijd voor andere dingen.
Zoals spelen.

Eentje

En wat ik dus zeker weten nooit ga doen, is in mijn eentje spelen.  Hoe kan je nou in je eentje spelen? Hoe moet dat? Ik zou het nooit durven. Echt niet.
En waar speel je dan mee? Ik kan toch niet zelf een balletje gooien en er achteraan rennen!?Waarom zou je het trouwens doen, als je ook kan nadenken in die tijd?
Eerlijk waar, ik snap er niks van.
Toch hoor ik van katten die het wél doen.

Seerieus

Mijn mensen dachten in het begin dat ik ziek was, of pijn had, omdat ik niet wilde spelen.
Maar dat is niet zo. Het is gewoon dat ik seerieus ben.
Elke avond speel ik even met mijn mensen en mijn veer. Af en toe ren ik een paar keer achter het leeserlampje aan, of achter een balletje.
Maar soms zie ik mezelf ineens (in mijn hoofd, bedoel ik), en denk ik Nee.  Dat heb ik ook als mijn man komt kijken als ik met mijn vrouw aan het spelen ben, of andersom. Dan hou ik altijd meteen op met spelen. Ik ben geen sir-kus-aap-je!

GroteBeer en Pop

in je eentje spelen
Beer en (liggend) Pop aan het spelen

Mijn mensen zeggen dat de GroteBeer dat ook had.
Die had zijn hele leven in restoorants gewoond, en was geen speelgoed gewend.
Hij stoeide wel elke dag met Pop. Ze renden elkaar achterna, en probeerden elkaar te vangen.
Maar Beer vond speelgoed stom, toen hij bij mijn mensen kwam wonen.
Na tijdje werden mijn mensen soms wakker van allerlei gerommel. Dat was Beer, die stiekem aan het spelen was. In zijn eentje.
Mijn vrouw ging wel eens heel voorzichtig kijken. Als Beer dat merkte hield hij meteen op en ging zich zitten wassen. Alsof hij helemaal niet had zitten spelen.
Later speelde hij wel met speelgoed, vooral samen met Pop.

Speelbeestje

Popje was echt een speelbeestje, zeggen mijn mensen. Hij speelde met alles wat hem voor de pootjes kwam. Propjes papier, allerlei muizen, takjes, blaadjes, het maakte hem niks uit. Hij speelde verstoppertje met mijn mensen, en ook voetbal.
Als hij met mijn mensen wilde spelen kroop hij onder het vloerkleed en ging heel hoog mauwen. Dan wisten mijn mensen wat er van ze verwacht werd!
Pop speelde ook in zijn eentje, en was een heel druk ventje. Hij was altijd bezig.

Op onze stoelen

Mijn Molletje wilde nooit spelen. Niet alleen, maar al helemaal niet met anderen.
Als Pop en Beer met iets aan het spelen waren, rende zij er soms op af. Ze pakte het speeltje af en liep er mee weg. Zo was het tenminste afgelopen met dat gedoe.
Als de mannen (zo noemden mijn mensen Pop en Beer altijd) aan het rennen of aan het stoeien waren, kwam Mol soms mijn mensen halen. Zodat zij konden zorgen dat het ophield. Of ze ging heel hard staan miauwen en grommen, tot de mannen ophielden.
Ik mocht ook niet rennen van Mol, dat heb ik wel eens geschreven.
Ik begreep dat wel. Want het is onrustig, dat rennen en spelen. En het maakt lawaai. Soms lijkt het wel op vechten, als je met zijn tweetjes speelt. En je kunt niet tegelijkertijd op je omgeving letten, of alles veilig is. Dan kan er van alles gebeuren. Dat is dus supergevaarlijk.
Daarom lagen Mol en ik meestal op onze stoelen, in de tuin, te slapen. Heerlijk!

Kinderkatje

Grappig hè, zo is elke kat anders wat spelen betreft. Misschien heeft het er mee te maken hoe je jeugd is geweest. Dat iemand je heeft moeten leren om te spelen, als kinderkatje. En het heeft denk ik ook te maken met hoe je geleefd hebt.
Buiten in de tuinen had ik geen tijd om te spelen. Ik moest overleven, niet achter balletjes aanrennen. Tijd om te spelen had ik niet. Mol was een kind van twee zwerfkatten, en had niet geleerd om te spelen. Beer ook niet.

Ik heb heus wel eens dat ik heel veel zin heb om te spelen. Als dat zo is kom ik naar binnen reesen, en ga in de slaapkamer rondscheuren. Soms schrik ik dan van mezelf, en weet ik niet wat ik nou eigenlijk aan het doen was. Als ik niet schrik, gaan mijn mensen met mij spelen. Superleuk.
Toch vind ik het na zo’n avond weer tijd voor belangrijke zaken.
Mijn vrouw zegt dat dat komt omdat ik “bedachtzaam” ben. Dat kan best. Maar ik vraag me af waarom er honden bestaan. En waarom woont er eentje nou juist naast mij? Waarom doet hij steeds naar mij blaffen? Wat is leven presies? Waarom is mijn Mol een ster geworden? En wat is “bedachtzaam”?

Ik weet het allemaal niet.
Daarover moet ik dus nadenken.
En dan kan ik niet zelf met balletjes gaan gooien.

kater Bolle over: als je thuis een man hebt

kat en man

De meeste katten hier op de blog hebben een vrouw waar ze mee samenwonen. Ik gelukkig ook. Maar ik woon ook nog met een man. Een mensenman.

Vandaag leg ik uit hoe het is als je als kater niet de enige man bent in huis. En ik leg ook uit hoe ik dat doe, samenwonen met een man.

Mensenman

Toen ik hier net kwam wonen, vond ik het moeilijk dat er een mensenman was. Want ik dacht dat alle mensenmannen het zelfde zouden zijn.
Ik had er al eentje gekend. En die had me geslagen en geschopt. Daardoor woonde ik buiten, en durfde niet meer binnen te wonen. Daar heb ik al een keer over geschreven.
Daarom was ik in het begin ook bang voor mijn man. Ik bleef de eerste tijd steeds op een afstand van hem.
Maar hij was dan weer een beetje bang voor mij, omdat ik beet en krabde.
Grappig hè, zo kunnen twee jongens bang zijn van elkaar!

Geduldig

Het heeft best lang geduurd, voordat ik aan mijn man gewend was. Gelukkig was mijn man geduldig. En hij werd nooit boos op me, als ik bang was van hem.
Hij wist ook wel dat het met mijn er-va-rin-gen van vroeger te maken had.

Een man is geen vrouw

Ik weet nu dat er dingen zijn die een man anders doet. Want een man is geen vrouw.
Mijn man praat bijvoorbeeld met een lage stem.
Mijn vrouw kan praten als een beebiekatje, en ik praat dan ook zo tegen haar. Mijn man kan dat niet. Maar hij en ik praten samen als mannen onder elkaar.
thuis een manVaak maken mannen veel lawaai, en stampen ze en praten ze heel hard. Dat vind ik eng.
Mijn man praat en beweegt heel rustig. Mijn vrouw is juist drukker, en ook lawaaieriger.
Ik lig ’s ochtends vaak naast mijn man in bed, als mijn vrouw al is opgestaan. Ik spring op bed en kruip tegen hem aan. Een beetje hoor, helemaal tegen hem aanliggen durf ik nog niet. En zo slapen we samen nog even. Heerlijk vind ik dat, ik kijk er altijd naar uit.
Sinds kort kruip ik ’s avonds ook bij mijn vrouw, als mijn man nog niet in bed ligt. Maar zij beweegt veel als ze slaapt, en daar schrik ik van.
Mijn vrouw kan beter met mij spelen. Ze maakt het altijd heel spannend, met allerlei geluiden en ze verzint steeds nieuwe spelletjes met de veer.
Mijn man is strenger met eten. Als ik mijn eten niet lekker vind ga ik naar mijn vrouw. Ik kijk haar aan, en hou mijn hoofd scheef. Soms doe ik ook nog een “Priep?” En altijd krijg ik dan iets wat wél lust. Maar mijn man zegt gewoon tegen me dat er nog eten staat. Van hem krijg ik niks anders, erg hè!
Als ik lang in mijn tuin ben, komt mijn man altijd kijken wat ik aan het doen ben. En als er gekrijs is, komt hij meteen naar buiten. Om mij te helpen. Dat vind ik fijn, dan voel ik me veilig.
Mijn vrouw doet van alles met planten en bloemen in mijn tuin, en daar kom ik bij zitten. Dat is gezellig, om samen aan mijn tuin te werken.
Mijn konkluusie is dat ze allebei verschillend zijn, maar allebei lief.

Twee smaken

Daarom vind ik het nu juist leuk dat ik twee smaken mens heb.
De ene keer ga ik naar mijn vrouw voor een gesprekje. En de andere keer klim ik naast mijn man in bed. Zo kan ik altijd kiezen!

Vertrouwen

Ik denk eigenlijk dat het niet eens uitmaakt of je een vrouw hebt, of een man. Als iemand lief is, is iemand lief. Ook als het een man is. Ik weet toevallig van een kat die bij twee mannen woont, en het daar heel fijn heeft.
Het belangrijkste is dat je de mens waarmee je woont kunt vertrouwen. Dat die mens zorgt dat je gelukkig bent, en gezond en veilig. Dat die mens je genoeg te eten geeft, en dat er met je geknuffeld wordt als je dat wilt. En precies zo is dat bij ons in huis! Mijn mensen zorgen voor mij, en ik heb twee mensen om voor te zorgen.

De baas

Bij ons thuis is niemand de baas over de ander. We zijn met ons drietjes de baas.
Of eigenlijk ben ik nét een beetje meer de baas, maar zo hoort dat nou eenmaal.
Omdat ik van ons drietjes de enige kat ben.
En katten zijn natuurlijk altijd het allerbelangrijkste, of ze nou man of vrouw zijn!

kater Bolle over: naar de dierendokter gaan

dierendokterVorige week hoorde ik mijn mensen praten over “naar de dierendokter gaan”. Dat vond ik vreemd, want ik dacht dat de dierendokter alleen voor dieren was. Maar toen begreep ik ineens dat het de bedoeling was dat ik meeging.

Je snapt waarschijnlijk wel dat ik daar helemaal geen zin in had. Ik voel me prima, dus ik hoef helemaal niet naar de dokter. Dat vertelde ik natuurlijk aan mijn mensen.
Mijn vrouw zei toen dat we wel zouden zien hoe het zou gaan.

Geen eten

Woensdagochtend stond er geen eten voor mij. Mijn pleesmat was helemaal leeg.
Dat verbaasde me, maar ik dacht dat mijn mensen zich misschien hadden vergist.
Ik ging maar weer slapen, ook al had ik best een beetje honger.
Toen mijn man opstond, ging ik hem kopjes geven en alvast spinnen. Omdat hij me mijn eten zou geven. Maar mijn man aaide me, en dat was het.
Mijn vrouw lag nog in bed, maar ze was wakker. Dat kon ik merken. Daarom liep ik de slaapkamer is. Ik was al aan het spinnen, omdat ik zeker wist dat zij me eten zou geven.
Maar mijn vrouw keek me aan en aaide me. Ze zei dat ik een lieverd was. Dat was alles.

Priep

Vergissen is menselijk, zeggen ze. Dus ik bleef rustig en beleefd.
Ik heb één keer Priep gezegd, maar niet hard. En ik heb aan mijn krabplankje aan de deur gekrabd, terwijl ik naar mijn man keek. Zonder resultaat.
Na een tijd liep mijn vrouw met mij mijn tuin in. Ze aaide me, en ging weer naar binnen. Ik liep even door mijn tuin, maar het regende een beetje.
Daarom rende ik KEIhard weer naar binnen, blij dat ik eindelijk mijn eten zou krijgen.

In de tas

Meteen toen ik binnen kwam had ik door dat er iets aan de hand was. Mijn reistas stond klaar, waarschijnlijk voor als mijn mensen naar de dierendokter wilden gaan. Ik wist op dat moment wel duizend prosent zeker dat ik niet meeging, dus ik liep terug naar de achterdeur. Maar mijn vrouw tilde me op, en liep met me naar die tas.
Ik heb gefriemeld zoveel als ik kon, ik hield me overal aan vast en ik sloeg zelfs een nagel in het been van mijn vrouw.
En toch zat ik ineens in die tas.

Bang

Ik was bang. Want ik wilde niet naar de dierendokter. Ik dacht: Straks krijg ik daar weer een prik of een pil. En daar heb ik dus echt geen zin in. Of straks laten mijn mensen mij ergens achter, in die tas. En dan heb ik geen huis en geen mensen meer.  Ik trilde over mijn hele lijf, kleine rillinkjes. En ik deed af en toe piepen.
Mijn vrouw aaide me, in mijn tas. En ze zei dat alles goed was. Maar dat was natuurlijk helemaal niet waar. Want ik zat in die tas.

Uit de tas

Bij de dierendokter moest ik uit de tas komen. Van schrik liet ik allemaal haren los. Volgens mij heb ik wel een biljoen haren losgelaten.  De dokter was aardig, en ik ken hem al. Hij aaide me en zei dat ik er heel goed uitzag. Er was nog niks engs gebeurd. Ik ontspande een beetje.
Maar ja hoor, toen kwam de naald er weer aan.
Er werd een stukje haar onder mijn kin weggehaald, en toen werd mijn bloed gepikt. Daarna kreeg ik nog een prik. En ook nog een pil. Toen was ik er klaar mee, en wilde in mijn tas.
Ik wilde zó graag in mijn tas dat ik probeerde door het gaas heen naar binnen te klimmen.
De dierendokter zei dat ik later beter maar geen eksakte vakken kon gaan studeren omdat ik geen ruimtelijk inzicht had. Mijn mensen moesten lachen. Ik werd gewoon een beetje belachelijk gemaakt!
De dokter zei dat ik nog steeds te dik was, en mijn vrouw zei dat ze strenger zou gaan worden met mijn eten. Nóg strenger? Ik had al uren niks gegeten!

De uitslach

We moesten nog even wachten, waarom weet ik niet. Mijn vrouw zei vanwege de uitslach.
Ik was doodmoe, en mijn mensen ook. Mijn man zei dat hij bijna niet geslapen had, en mijn vrouw zei hetzelfde. Vanwege mij, zeiden ze. Mijn man zei dat hij ze-nuw-ach-tig was. Voor die uitslach.
Na een tijdje kwam de dokter. Hij zei dat hij kwam met het bloed van een jonge godenzoon. Alles was helemaal goed, nog beter dan de vorige keer. Alleen dat gewicht, dat moest wat minder.
Mijn mensen waren helemaal blij. Terwijl ik me afvroeg waar ze die godenzoon dan van kenden. Maar gelukkig konden we toen eindelijk weer naar huis.

Voel me prima

Ik heb geen flauw idee wat we nou precies bij de dierendokter hebben gedaan. Of wie die jonge godenzoon dan wel was, wat ik daar mee te maken had, en wat ik daar nou precies te zoeken had. Waarschijnlijk hebben de dierendokter en mijn mensen uiteindelijk tóch begrepen dat ik me prima voel.

Dat had ik ze zó wel kunnen vertellen, als ze me dat hadden gevraagd. Sterker nog: dat heb ik verteld. Maar ja, zo zijn mensen: ze luisteren niet.

Miljoenprosent zeker weten

Ik heb het hele huis en mijn hele tuin doorgelopen toen we weer thuis kwamen. Om te kijken of alles nog hetzelfde was. Gelukkig was dat zo. Ik heb mijn buikje rond gegeten en ben op het grote bed gaan slapen.
Maar ik heb me wel voorgenomen dat ik volgende keer echt helemaal-totaal-absoluut-volkomen-miljoenprosent-zeker-weten niet meega naar de dierendokter!!!