Tag Archives: over de regenboogbrug

Katrien over: voorgoed weggaan

voorgoed weg gaan

Hallo iedereen.  Vandaag word het niet een leuk stukje. Eerder een drietig stukje. Het gaat oof afscheid neem.

Manpersoneel

Ik heb het in mijn leventje al twee keer moeten doen. De eerste keer afscheid nemen was van mijn mammie Levie. Ooooh, wat hadden Catoo en ikjes snachts gehuild. Manpersoneel bleef bij ons nadat hij ons hoorde huilen die eerste nacht.

Vrouw en ik

De tweede keer dat ikjes afscheid moest nemen was bijna vijf jaar geleden. Mijn ongelooflijk lieve zus werd heel ziek. Haar alvleesklier was te ziek om beter gemaakt te worden. Op 3 november 2014 is ze om half 11 in de ochtend zachtjes naar de Regenboogbrug gegaan.
Toen mijn personeel weer thuis kwam zag ik ze huilen. Ik vroeg waar is zussie? En toen pakte vrouw me op en begon verschrikkelijk hard te huil. Ooooooh nee…
Mijn zus!!!
Een paar dagen hebben we alle drie heel erg lopen huilen. Vrouw en ik lagen dicht bij elkaar. Ik lag te snikken in haar nek en vrouw troostte mij. Na een dag of vijf wist ik het.. Catoo kwam nooit meer terug. Een tijd lang was het stil. Geen gelach, geen snertkat… niets.
In die week kreeg vrouw een berichtje van het crematorium dat Catoo gecremeerd was. En we kregen een rouwkaartje van Floor. Nou… de tranen vloeide weer. En veel.

Eerste lachjes

Mamma Levie en ons broertje Tommie

Na de eerste week veranderde we. De eerste lachjes kwamen weer. Hele voorzichtige, maar wat was het geweldig weer. Ik had weer wat streekjes gedaan en moest daar zelf ook best om gniffelen.

En nu, vijf jaar later, is het eigenlijk weer helemaal als altijd. Alhoewel… ik ben ook wel veranderd. Ikjes ben verwend, ook omdat ik zo ziek ben geweest. Ik ben een kleine diva geworden die in bijna alles haar zin krijgt.

Sterke eenheid

We zijn er sterker uit gekomen. Wij drie-en zijn nu een sterke éénheid geworden waar niemand tussen kan komen. Mijn personeel komt bij mij op de eerste plek, en ik sta op plek één bij hun.
En eigenlijk is Catoo niet helemaal weg. Ze zit voor vijftig procent in mij. We hadden namelijk dezelfde mamma.
En dit klinkt misschien raar… maar heel soms zien we Catoo nog hier. Maar, en dat is ook raar, ik zie ook twee andere katten en een woef hier. Echt waar!!
Daar ga ik het in een ander blogje over hebben. Dan leren jullie ze ook kennen. De katten heette Grietje en Poekie. Het hondje heette Sweety.

Dit betekend niet dat ik het nooit meer over mijn zus Catoo ga hebben hoor. Want Catoo hoort bij mij, ze zit in mij. Ze is mij.
Ze zal voor altijd bij ons  zijn en blijven. Plus dat ik de meeste dingen met haar beleefd heb.
Veel liefs en een kusje
Katrien (allesoverwinnend prinsesje van beroep)

Macan uit de poezenhemel vertelt over Mona Lisa

  Hoi allemaal, ik ben het Macan uit Indonesië, nou ja vanuit de poezenhemel. Vroeger woonde ik bij Oom Rudy.  Ik wilde ook graag een verhaal insturen over Mona Lisa, de poes die ook bij ons woonde en die nou in de poezenhemel is.

Het heeft zich afgespeeld in de grote drukke stad Semarang. Oom Rudy heeft daarvan enkele nachten niet kunnen slapen. Maar gelukkig, als door een wonder, was alles goed afgelopen. Terwijl ik jullie nu schrijf zit Mon nu naast mij. En leest mee. Nieuwsgierig dat zij is! Over wat ik over haar vertel. Of ik geen rare dingen over haar schrijf. Want ja, al van vroeger was Mon altijd een beetje eigenwijs, zeg maar koppig. Maar tegelijk was zij ook lief.
Of niet soms Mon?

Naar Semarang

Wij woonden toen in het 2e huis van oom Rudy, daar in Bandungen. Een heel rustig bergdorpje. Oom Rudy had eerst in een ander huis gewoond, ook in Bandungan, maar toen kenden wij hem nog niet. Op een goeie dag vertelt oom Rudy dat wij met z’n allen voor enkele dagen naar Semarang zouden gaan. De vrouwtjeskatten moesten worden gesteriliseerd. Dat waren Mona Lisa , mijn zus Hitam en haar 3 dochters. En ik, als enige kater, moest ook mee met dit stel kattige meiden. Ik moest worden gecastreerd. In Semarang zouden wij gezellig voor een paar dagen bij de vrouwelijke dierendokter logeren. Zo vertelde oom Rudy ons.

Hier hang ik op schoot bij Oom Rudy

Tegelijk zou die dokter naar mijn handicap kijken. Want ik was verlamd was aan mijn achterpoten. Hoewel ik mij altijd goed kon ‘voortslepen’. Maar de dokter, daar in Semarang, vertelde dat er helaas niets meer aan te doen was. En adviseert mij om zoveel mogelijk in beweging te blijven. En vooral om niet de hele dag stil te blijven zitten. Dus zoveel mogelijk, in beweging blijven met het schuivelen. Dat advies heb ik goed in mijn oren geknoopt. Want ik heb de kattenmeiden vaak achter na gezeten. Vooral als zij bij mij in buurt kwamen. Maar ook kattenkwajongens moesten het niet wagen mij te pesten over mijn handicap.
Ook volgens de dokter had ik eigenlijk vanaf mijn geboorte elke dag moeten worden gepijit. Fysiotherapie dus. Maar dat is natuurlijk nooit gebeurd. Want helaas, zus Hitam en ik hebben vanaf onze geboorte voor een tijd lang in verschillende sloten gewoond. Onze mammie verhuisde elke keer naar een andere sloot of andere plek. Want op Java zeggen ze, dat je als moederkat 7 maal met je pasgeboren kindertjes van plekje of sloot moet verhuizen, en dat pas op de 7e plek alles veilig is.

Mona Lisa protesteert

Terug naar het verhaal Semarang. Wij vonden dat allemaal prachtig. En verheugden ons op de aanstaande vakantie in Semarang. Behalve Mona Lisa. Zij had meteen de grootste problemen. Over het plan om met vakantie naar Semarang te gaan. En mopperde: “Ik wil helemaal niet weg van hier. Wat een gedoe, om helemaal naar Semarang te gaan. Ik heb daar niks te zoeken. Ik krijg nu al de zenuwen, als ik daaraan denk.” Ik probeerde haar wat te sussen. Maar zonder resultaat “ Mon, wij zijn nooit verder gekomen dan tot Bandungen.” zei ik, “Het is toch leuk om iets te ontdekken en wat meer te zien van de wereld.” Maar Mon bleef koppig en vond het maar niks. Zij had daar in Semarang niets te zoeken.
Het plan om weg te lopen
Zij begon een plannetje te bedenken hoe zij de boel kon saboteren. En zij vertelt dat zij bij de dierenarts zou weglopen. “ En dan meteen terug naar Bandungan !!! ” zei ze. “Jij bent hartstikke gek Mon’. riep ik. “ Weet je wel hoe ver het lopen is naar Bandungan ? En je kent de weg toch niet? Doe niet zo stom, Mon ! ” Maar zij bleef koppig. En met haar eigenwijs gezicht zei ze : “Zij spreken daar toch ook allemaal Javaans, in Semarang? Of niet soms? Dus ik vraag wel hoe ik moet lopen.”
Ik heb toen maar mijn mond maar gehouden.

Naar Semarang

Heel vroeg op een morgen, vertrokken wij naar Semarang. Met de Jeep van oom Rudy. Ook mas Par ging mee. Wij allemaal in een kattenmand. Door de heuvels en dalen van berg Ungaran, over vele bruggetjes, door enkele desa’s, reden wij naar beneden, totdat wij bij het kruispunt aankwamen van de drukke verbindingsweg: Semarang-Jogja. Daar sloegen wij links af, voor richting Ungaran en daarna Semarang. Natuurlijk de hele weg vele liedjes gezongen. Ook dat het bekende lied “Wij gaan naar S’marang, daar aan de zee. En nemen brokjes met ons mee.” Een heel bekend liedje, op de wijs van: “Wij gaan naar Zandvoort”. Zoals oom Rudy wel eens voor ons zong. Alleen Mon, bleef in haar mand, met een zuur gezicht voor zich uit kijken. En vertikte het om mee te zingen. Oom Rudy zei toen nog: “ Wat fijn, Mon is lekker rustig.”

Aankomst bij mevrouw de dierenarts

Even later, kwamen wij aan, bij mevrouw de dierenarts. Wij stopten voor haar huis. Ik zag dat Mon meteen in starthouding ging zitten, klaar om eruit te springen. “ Doe niet zo stom Mon. Blijf hier bij ons!”, gilden wij allemaal naar haar. En oom Rudy, die ons natuurlijk ook hoorde schreeuwen, zei tegen ons: “Rustig , rustig maar. Jullie worden hier echt heel goed verzorgd, drie maal per dag krijgen jullie je kattenbrokjes.”

Onze droevige herinneringen

En plotseling gebeurde het. Terwijl mas Par, met de mand van Mon naar binnen liep, lukte het Mon om in één keer het deksel omhoog te drukken. En razendsnel, met één sprong was zij er uit. En rende snel weg. Mas Par en oom Rudy schrokken zich rot en begonnen te schreeuwen:
“Mon, Mon kom hier, kom hier!” Wij natuurlijk ook : “Mon, Mon, blijf hier, blijf hier.” Maar niemand kon Mon grijpen. Wij konden nog nèt zien hoe Mon boven op een muur was gesprongen. En dat zij heel snel, weer van die muur afsprong, maar dan precies de andere kant op, van die muur. En toen… was zij verdwenen. Zij was weg. Bij oom Rudy en mas Par brak direct paniek uit. En voelden zich machteloos, omdat Mon nergens was te zien. Niet bij de buren van de dokter, zij was nergens, zij was spoorloos. En wij bleven maar huilen en roepen: ‘Oh Mon, Oh Mon . Kom terug, kom terug’. Het was verschrikkelijk. Allemaal dachten wij dat wij Mon nooit meer zouden terug zien. En dan de gedachte door ons hoofd, dat Mon daar in die grote stad Semarang iets afschuwelijks zou overkomen. Vreselijk ! Arme oom Rudy en mas Par, die even later met een heel bedroefd hart over wat er was gebeurd, naar Bandungan zijn teruggekeerd. Hun gedachten waren bij Mon. Alleen een wonder zou Mon kunnen redden. En wij, die in Semarang achterbleven hadden de hele nacht gepiekerd over onze vriendin Mon. Kom toch alsjeblieft terug lieve Mon. Ayo kom terug.

Mon komt terug

De volgende dag waren wij natuurlijk nog heel zenuwachtig en heel verdrietig over Mon.
Wij zijn toen meteen op die ochtend allemaal behandeld. Daarna zijn wij allemaal in een diepe slaap gevallen. Ik herinner dat ik toen droomde. Maar ben vergeten waarover ik droomde. En zo sliepen wij allemaal nog lekker door, tot eind van de middag, of tot tegen de avond. Het was nog niet helemaal donker.
En plotseling schrokken wij wakker. Van buiten klonk een heel hard gekrijs. Wij herkenden de stem van Mon! En ook het schreeuwen was precies als van Mon: “ Lelijk kreng, lelijk kreng, laat mij los, laat mij los!” En even later ging de deur open en ja, het was Mon. Die aardige hulp van de dokter kwam binnen. Zij droeg Mon stevig in haar nekvel. Mon spartelde hevig, maar kon niet los komen. En toen, hups… daar ging Mon haar mand in. Deksel erop en dat alles werd stevig vastgeklemd. Wij begonnen meteen te juichen en begonnen te zingen. “Mon is terug, Mon is terug. Hiep hiep hoera.” Mon moest huilen. Maar het was van blijdschap en ook van een beetje schaamte. Over dat zij zich zo idioot had gedragen. “ Vergeef mij, vergeef mij alsjeblieft,” snikte zij naar ons.
Toen kwam even later kwam de dokter binnen, samen met haar hulp. De dokter vertelde ons dat zij oom Rudy had opgebeld. En hem heeft gerustgesteld over Mon, die gelukkig was teruggekeerd. En dat wij over een dag of 4, met z’n allen werden opgehaald. “Dank u wel mevrouw de dokter, dank u wel. En ook : Dank u wel mevrouw de hulp, dank u wel.” riepen wij in koor.
En Mon tot de hulp : “ Lieve mevrouw de hulp, kunt u mij vergeven, dat ik u zo heb gekrabd. Ik wou u heel erg bedanken.” En deze lieve hulp was helemaal niet boos op Mon. Ofschoon Mon haar toch behoorlijk had toegetakeld. Met een paar behoorlijke krabben op haar bovenarm. Wij zagen dat haar arm met betadine was behandeld.

Onze tweede huis in Bandoengan

Mon vertelt over een lieve stem

En toen kregen wij allemaal een bakje met heerlijke kattenbrokjes. Mon bleef nog een beetje huilen. Zij legde ons uit dat zij een soort stem, had gehoord, een vrouwenstem: “lieve Mon, oom Rudy heeft heel veel verdriet. Loop maar niet weg. Er wordt voor jou een bakje met brokjes voor de deur gezet van de mevrouw de dokter. Maar loop niet weg” En terwijl zij al op weg naar Bandungan was, had zij opeens helemaal geen zin meer, om door te lopen. En zij is teruggekeerd naar het huis van de dokter. En inderdaad, er stond een bakje met brokjes voor haar klaar. Zoals het haar was gezegd door die vrouwenstem. Wij vonden dat een heel mooi verhaal. En hadden die nacht heerlijk geslapen. Hitam maakte mij wel een keer wakker: “ Macan je snurkt, draai je om.”

Wij gaan naar huis toe in Bandoengab

Mon werd toen de volgende dag behandeld. Drie dagen later kwamen oom Rudy en mas Par ons ophalen. Terug naar huis. Samen met Mon, zongen wij : “Wij gaan naar huis toe, in Ban-doen-gan. En nemen brokjes met ons mee…” Ook Mas Pas en oom Rudy zongen mee.
En weer wat later waren wij thuis in Bandungan.

Opmerking: Mon was toen nog niet zo lang bij ons. Zij was als een wilde kat bij ons aangelopen. En niemand kon haar toen oppakken. Toen ik deze gebeurtenis over Mon, aan het opschrijven was, heeft Mon, die toen naast mij zat, het verhaal meegelezen. En zegt : “Lieve Macan, echt waar, ik heb daar zoveel spijt van gehad, kun jij mij dat vergeven?” En ik kreeg meteen een dikke zoen van haar !! Mon, zij blijft mijn eeuwige schat, óók in onze Kattenhemel.

Zo dan beste Bert, dit is een verhaal over Mona Lisa, één van die vele lieve katten van oom Rudy. Ik hoop dat je er wat mee kunt doen. Later vertel ik nog wel iets grappigs, ja en ook over alweer onze eigenwijze Mon.

En jij hartelijke groet, vanuit de Kattenhemel/Regenboogbrug
Mas Macan

Soms voel ik dat Tim er is

Tim van de Loo  Hier is Tim. Hij is de kater die er voor mij was. Tim is al drie jaar geleden over de Regenboogbrug gegaan maar soms voel ik dat hij er is.

Ik weet niet of dat gek is. Mijn vrouw voelt het ook, maar niet altijd op hetzelfde moment.

 

Droom

De allereerste keer dat ik iets van Tim merkte was toen ik in het asiel zat. Ik droomde dat een rode kater bij me kwam en dat hij zei dat er de dag erna voor mij een vrouw zou komen. En dat ik bij haar een thuis zou krijgen. Hij zei dat we bij elkaar pasten.
Ik snapte het niet. Maar toen ik de vrouw zag, wel. Wat Tim zei, is waar, we passen bij elkaar.

Slaapkamer

Maar na de eerste nacht in mijn nieuwe huis, wilde ik liever niet naar de slaapkamer. Ik voelde dat Tim daar was. Hoe, weet ik niet. Het was gewoon dat ik voelde- nou, de huiskamer is voor mij en daar is alles in orde die kan ik gewoon leren kennen. Maar boven op de slaapkamer daar is het anders. Uitleggen kan ik het niet. Ik voelde het heel erg zo.

Verandering

Op een dag is dat zomaar veranderd. Mijn vrouw zei dat ze voor het slapen Tim had gezien en dat hij in het licht stond.
Daarna was er iets anders. De trap oplopen ging gewoon. Toen begon ik op het bed te slapen. Gezellig. En nou ga ik naar boven als ik zin heb, maakt niet uit wanneer.

Voelen

En toch is het zo dat ik soms voel dat Tim er is. Hoe ik dat voel, snap ik zelf niet.  Het is net of het in de kamer even waait maar dan zonder wind. Tim let een beetje op ons. Net of hij een oudere broer is. Het is een beetje raar maar ik voel me best fijn ermee en mijn vrouw ook.