
Hoi allemaal, ik hoop dat jullie toch een fijn wiekent hebben en gelukkig is het weer weer een beetje normaal. Van mezelf ben ik al 11 jaar.
Seeniejoor
De een zegt dat het seeniejoor is, de ander niet. Nou ik vind van niet. Het kan best zijn dat ik daar morgen weer anders over denk hoor. Misschien ligt het er aan over hoe ik me die dag voel. Soms wordt je wakker en ben je kei-fit, en soms wordt je wakker en heb je totaal nergens geen zin in. Dat gebeurt ook wel eens.
Iets nieuws
Vandaag ga ik jullie vertellen dat ik kei-fit wakker geworden ben en dat ik zin heb in iets nieuws. Ik weet nog niet wat precies. Ik heb ergens een nieuw speeltje liggen maar daar heb ik geen zin in. Het is geloof ik een muis met ketnip. Vandaag heb ik geen zin in wiewen. Ik foel me dapperder dan wiewen. Op de eerste verdieping van ons huis zijn vaak wel nieuwe dingen te vinden. Soms vind ik wel eens een bol van sokken. Dat is kei-gaaf! Daar kan je lekker mee pootballen en de kamers rond gaan. Ook kan je er in bijten want het is zacht spul. Mijn vrouw noemt het wel eens de sinteetiese schaap. Van me eigen weet ik het niet. Ik weet wel dat het super zacht spul is.
Kast
Er liggen best veel sokken boven. Vooral in de manspersoon bak van de kast. Dat is een schuifding die in en uit de kast kan. Dat ding zelf is een grote kast met allemaal vakken. Daar liggen zijn vachtjes allemaal in. Voor mij is de kast best groot want ik kan er niet zomaar boven op springen. De kast is wel bijna 2 meter de lucht in. Dat is best hoog. Ik ben net iets langer dan een lieniejaal.
Tweede plank
En toen kwam het, bam! Een idee. Kan ik ook in de kast? Dat heb ik nog nooit gedaan. Niet in deze kast. Ja, dit ga ik doen. Ik foel me heel dapper en ik wil de kast in.
Ik denk dat de tweede plank het beste is. Daar liggen ook wat vachtjes in maar niet zoveel. Er is nog ruimte voor mij. Eerst doe ik me even voorbereiden. Dat is wanneer ik voor de kast ga zitten en ga denken over hoe ik moet springen. Als ik voor de kast zit waggel ik met mijn billen. Ze gaan van links naar rechts en weer terug naar links. Zo foel ik of ik de juiste balans heb om te springen. Als mijn waggel goed is, spring ik. Mijn achter poote zetten af en hoppa!, ze duwen me zo omhoog de kast in. Met mijn voor poote grijp ik de vachtjes vast zodat mijn achterpoote ook zacht landen.
Gelukt
Daar ben ik dan, in de kast! Het is me gelukt. Ooo, maar dit is een prima dut-plek. Het is klein, donker en er liggen zachte vachtjes in. Heerlijk. Misschien doe ik straks hier wel dutten. Even kijken hoe het is vanuit de kast. Nou zie ik veel meer. Ik zie een raam en door de raam zie ik een grote boom en ik zie wolken in de lucht. Mijn lijf reejageert meteen. Ik ben kei-blij! Mijn staartje bibbert en mijn poote trappelen zachtjes. Er komt zelfs een oer mauw. Deze klinkt diep en kort. Dat je weet, Bram is dapper. Dit is leuk. Ik kan iets nieuws. Het is me gelukt om zelf de kast in te springen. Op het tweede plankje nog wel. En die is best hoog.
Oer
Ik foel iets. Er komt nog een oermauw, en nog één. ‘Maauuuw’. Mijn binnenkant doet nog steeds een beetje bibberen omdat ik nog steeds kei-blij ben. Waar is mijn vrouw? Dat ze kan zien wat ik heb gedaan. Helemaal alleen.

Gefoelig is dat je vatbaar bent voor indrukken. Het maakt niet uit waar ze vandaan komen. Je kop zal het weten en verwerken en je lijf zal reejageren. Ik ga proberen een voorbeeld te geven. Als iemand een lief woordje tegen je fluistert. Ik ben heel gefoelig voor dit soort dingen dus mijn kop reejageert meteen. Die wil meer. Mijn oren blijven omhoog staan maar mijn oog wordt iets kleiner. Dit vindt ik fijn. Mijn lichaam wordt dan ontspannen. Mijn poten staan niet meer zo sterk en zo strak. Meestal ga ik er dan bij liggen zodat ik niet ineens omval. Want dat kan ook gebeuren.
In de avond, met donker weer, hebben mijn vrouw en ik een speesjaale plenning. Deze plenning is ook elke keer anders. In de zomer, wanneer de dagen lang licht zijn, mag ik veel langer buiten blijven. Maar nu gaat dat niet. Dus doen mijn vrouw en ik elke avond iets leuks voor ons zelf. Hier heb ik dan meestal gelijk omdat ik gewoon weet wat leuk is om te doen. De meeste van jullie weten wel dat ik een gefoelige katermans ben die van zachte dingen houdt. Zoals het voorlezen van mijn vrouw. Dan zitten we in bed onder de dekens en dan heeft mijn vrouw een boek voor haar. Ik kruip dan tussen haar en haar boek in en dan doet ze zachtjes hardop lezen. Het is dan een beetje een gefluister maar dan een klein beetje harder. En ze doet dan ook friemelen aan mijn lijfje en dat vind ik ook heel erg fijn.
Eerst ga ik een lekker dut-plekje zoeken op bed. Dat je met je poten voelt van ja daar kan ik wat mee. Dan volgt natuurlijk mijn getrappel want ik vind wel dat ik dan lekker moet liggen. Dat is wanneer je met je poten genoeg getrappelt hebt zodat je meteen om kunt vallen en kunt slapen.
Dit spelletje doen we een keer of drie. Dat is genoeg voor mij.
Als beebie-kitten speel je heel veel en dan moet je ook gewoon veel eten. Gelukkig kreeg ik dat daar ook meteen. En met daar bedoel ik het dierenopvangcentrum. Zo heet dat waar de ambulance mij naar toe bracht. Daar werd ik overgezet in een veel grotere hok waarin ik kon rondlopen.
Soms blijven poesen en katers daar wonen omdat ze het daar fijner vinden. Want eigenlijk is het ook een soort huiskamer. Er zijn genoeg bedden voor iedereen. Dus slapen doe je in je eigen bed. Je hebt daar verschillende krabpalen en speeltjes maar die moet je wel samen delen. Ook staan er overal schaaltjes met brokjes en water. Dus iedereen krijgt het zelfde te eten. En de bak voor je behoefte moet je ook delen. Maar dit wordt elke dag schoongemaakt en je krijgt er bijna elke dag snoep, sneks en knuffels. Ik woonde daar 7 dagen in kamer 32 met andere kittens toen mijn vrouw mij kwam halen. En vanaf die dag woon ik al bij haar. Dat is best lang want dat is nu 11 jaar geleden.
Hoi allemaal, ik hoop dat jullie een fijn wiekent hebben. Ik ben zelf heel blij dat de weer-meneer overal onweer heeft gegeven zodat het overal wat koeler werdt.
En toen ik op mijn krabpaal lag te snoffen, zag ik ineens dat het raam aan de voorkant open stond. Eerlijk waar, ik wist geeneens dat daar een raam zat dat open kan. Je snapt wel dat ik dan meteen op inspeksie moest. Dus ik hup, van de krabpaal af en naar de raam toe. Oja, hoe kan ik op de vensterbank komen want er staan allemaal kleine plantjes op. Dat maakt het een beetje lastig voor mij.
Er staan allemaal bomen en ik zie ook een weg. Er staan ook een paar auto’s maar die doen niks, die staan stil. En ik heb ook een voortuintje. Dat zie ik ook. Daar wil ik in. Maar het lukt me niet. Ik kan niet vooruit maar ik kan ook niet terug. Nu zit ik klem in de luuksefleks. Ik kan mijn poten niet optillen en ik kan niet draaien met mijn lijf.